Jelly Hut

 

 

 

 

 

 



In memoriam Jelly Hut-Zwier
* 7 juli 1939 - † 8 mei 2018

Jelly overleed zeer plotseling. Haar leven getuigde van een grote eenvoud en dienstbaarheid. Zij kwam in Dicks leven na het te vroege overlijden van zijn geliefde vrouw, de moeder van Ina, Derek en Aletta. Wat moet je dan, als weduwnaar van nog geen 40? Je bent radeloos en reddeloos, vooral omdat de gezinshulp niet heel lang mocht blijven. Dan ga je op zoek naar een oplossing, en ds.Wester van Stadskanaal kwam met die oplossing: hij wist in Tijnje nog wel een leuke jonge vrouw van ongeveer 30 jaar. Een mooie vrouw (Dick dacht nog: hebben al die Friese jongens hun ogen dicht?)

Jelly kwam vervolgens als huishoudster in een gezin dat nog volop in de rouw was, maar daar werd in die tijd niet over gepraat. In de materiële zorg voor huis en kinderen was voorzien, voor Dick een enorme geruststelling. Als huishoudster had Jelly ook recht op een vergoeding van de burgerlijke gemeente, maar toen bleek dat er na belasting bijna niks van overbleef, was het net zo slim om te gaan trouwen. En dat gebeurde dan ook, in 1973. Het gezin werd zo goed en zo kwaad als dat ging draaiende gehouden door Dick en Jelly.

En toen kwam de jongste, Will, die als eigen kind en als jongste een andere positie had dan de eerste drie. Dat was soms behoorlijk complex, met name voor de drie kinderen uit het eerste huwelijk en het heeft dan ook de nodige tijd en moeite gekost om dat allemaal een plek te geven. Jelly was geen prater: je wist meestal niet wat ze dacht of wat ze vond. Dat maakte het niet altijd makkelijk om een innige band aan te gaan.

Makkelijker werd het pas toen de kinderen het huis uitgingen en Jelly de dagelijkse zorgen kon beperken tot het schoonhouden van het huis: dat was haar grootste hobby. Als ze door omstandigheden niet kon schoonmaken was dat voor haar een straf. Ze liet het ook helemaal niet graag aan een ander over – want die kon het natuurlijk lang niet zo goed als zij zelf.

Ze vond het heerlijk om op vakantie te gaan: wandelen, fietsen deed ze graag. Ook het jeu-de-boules spel en gymnastiek waren zeer aan haar besteed. Elk jaar was er een familiebijeenkomst. Voor de kleinkinderen was Jelly heel lief, ze was dol op ze. Ook was ze iemand die intuïtief opkwam voor recht: toen ze een keer getuige was van een ruzie tussen jongens in Groningen sprong ze er tussen en zei dat ze moesten stoppen – zich totaal niet bewust van het gevaar dat ze mogelijk zelf liep; haar ingrijpen werd gerespecteerd.

Hoe weinig ze ook over zichzelf sprak, over haar geloofsleven was ze heel open. Ze stond vroeg op, en ging Bijbellezen. Daar haalde ze de kracht uit om voor het gezin te zorgen. Maar ze verwachtte ook van de kinderen dat ze naar de kerk zouden gaan én hun kinderen zouden laten dopen. Ze kregen van haar de wind van voren als ze merkte dat het anders ging dan zij in haar hoofd had. Discussies werden niet aangegaan: zó dacht zij erover, en dat was de waarheid. Punt uit.

Wat Jelly kon doen, heeft ze gedaan: ze heeft op haar manier voor Dick gezorgd, en het gezin draaiende gehouden. Nu mag ze rusten, zoals in de evangelielezing klonk: “Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijn. En ik zal je rust geven.” In afwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar God alles in allen zal zijn.

Dit leven is slechts een doorgangshuis, een leerschool om te strijden en lief te hebben; dat gaat niet altijd van een leien dakje, het is geen rechte lijn van A naar B. Maar we mogen geloven dat God het goede van ieder mens voor altijd in zijn hart sluit en dat Hij door elk mens heen sporen van zijn eigen liefde op deze aarde achterlaat. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor Jezus, Gods vertegenwoordiger hier op aarde, maar het geldt voor ieder mens die in Zijn Geest heeft proberen te leven.

Ds. Ignace Frénay